Doodgewone Nijmeegse straat

vogelaarDe doodgewone straat waarin ik woon, bevindt zich in een doodgewone Nijmeegse wijk. Maar deze wijk is iets minder doodgewoon dan je zou denken. Want we staan in de top 20 van Nederland. De wijk is een Vogelaarwijk of probleemwijk. Of zoals de overkoepelende hulpverleningsinstanties het zelf zeggen een aandachtswijk. Ik las laatst dat er weer een nieuwe benaming is voor diezelfde soort wijk. Krachtwijk? Ik ben het spoor bijster. Want welke benaming is nu hip? Iedere keer krijgt het beestje een andere naam. Alles blijft hetzelfde; de buren, de huizen, de winkels. Alleen het etiket verandert.

Dat dit stadsdeel een etiket opgeplakt krijgt, heeft een reden. Er schijnt in de wijk namelijk van alles te gebeuren. Saai is het hier in ieder geval nooit. Sensatie. Er staan wat mensen op straat. Wat mijn graadmeter is. Ik weet dan dat er iets aan de hand is. Heel erg. Maar ik ga op het balkon staan spinzen om te zien waar de actie is. Misschien vang ik wel iets op. Ik weet het. Ik ben net zo ziekelijk nieuwsgierig. Op teletekst lees ik dat er een onbekende, oudere man op straat is gevonden. Zijn hoofd is besmeurd met bloed. Spannend. Het gerucht gaat dat hij is neergesabeld door straatrovers. Een geweldsdelict in de Vogelaarwijk ‘zegt’ het nieuws. De wijk wordt specifiek genoemd.

Overdag wanneer ik een keer thuis ben is er leven in de brouwerij. Hoe dat kan weet ik niet, maar ik zie en hoor altijd de dingen die voor een ander verborgen blijven. Het huis is omringd door groen. Daarom is het zo lekker wonen. Grote bomen op een grasveld aan de achterkant waardoor de inkijk minimaal is. En bomen aan de voorkant. Vanaf de bank kijk ik uit op de straat met in het gezichtsveld een lantaarnpaal. Je moet de auto niet onder de lantaarnpaal parkeren, want de volgende dag is de auto onder gepoept door de gevogelde vrienden. Waarom is vogelpoep bijna altijd wit? Eten ze schoolkrijt of zo? Die plek blijft ook altijd redelijk vrij.

Deze lantaarnpaal heeft een sterk magnetische uitwerking. Een keer per week komen ’mijn’ tuinmannen het gazon maaien. Ze maken in het najaar wel iets meer lawaai wanneer ze met de ghostbuster-apparaten de blaadjes wegblazen. Die ene keer dus, keek ik toevallig naar buiten en zag het tuinmankarretje met de kleine stadstractor ervoor naast de lantaarnpaal staan. Waar is de paal? De bestuurder stond er met een zeer verbaasde blik naast met de handen in zijn zij. Hij heeft zeker een kwartier roerloos gestaan. Mond half openhangend. Hij had de lantaarnpaal omver gereden. Ik kwam niet meer bij. Maar meer door zijn verdwaasde blik.

Weet u wat met de bebloede man gebeurd is? Hij had een oude hoofdwond. Die avond had hij klaarblijkelijk iets teveel jajem gedronken, na een gezellig potje klaverjassen in het bejaardenhuis, en is letterlijk op zijn achterhoofd gevallen. Storm in een glas water dus.

Angelique